Verlaagt of verlaagd hangt af van de functie van het woord in de zin. Is het een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd, dus het werkwoord dat bij het onderwerp hoort en nu gebeurt, dan schrijf je verlaagt met een t: "de school verlaagt het lesgeld", "zij verlaagt de lat". Is het een voltooid deelwoord, dus een vorm die samen met hebben, zijn of worden een voltooide tijd of een lijdende vorm maakt, dan schrijf je verlaagd met een d: "de school heeft het lesgeld verlaagd", "de lat is verlaagd". De t in verlaagt komt van de regel stam plus t voor hij, zij, het en u. De d in verlaagd komt van 't kofschip: de stam verlaag eindigt op een g, die niet in 't kofschip zit, dus het voltooid deelwoord krijgt een d. Omdat je het verschil tussen een d en een t aan het eind van een woord niet hoort, moet je het altijd beredeneren.
Stap 1: welke vorm van het werkwoord heb je nodig?
Begin met de vraag wat het woord in de zin doet. Kijk of er een hulpwerkwoord in de zin staat: een vorm van hebben (heb, hebt, heeft, hebben, had, hadden), zijn (ben, bent, is, zijn, was, waren) of worden (word, wordt, worden, werd, werden). Staat zo'n hulpwerkwoord erbij en hoort verlagen daarbij, dan heb je het voltooid deelwoord nodig. Staat er geen hulpwerkwoord en is verlagen zelf het werkwoord dat bij het onderwerp hoort, dan heb je een persoonsvorm nodig.
- "De leraar ... het tempo." Geen hulpwerkwoord, dus persoonsvorm: verlaagt.
- "De leraar heeft het tempo ..." Hulpwerkwoord heeft, dus voltooid deelwoord: verlaagd.
Deze eerste stap is de belangrijkste. Bijna alle fouten met verlaagt en verlaagd ontstaan doordat iemand deze vraag overslaat en direct naar de klank luistert.
Stap 2: hoe vervoeg je de persoonsvorm verlaagt?
Voor de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd heb je de stam nodig. Die vind je door van het hele werkwoord verlagen de uitgang -en af te halen en de klinker zo te schrijven dat hij hetzelfde klinkt: verlaag. Bij ik gebruik je alleen de stam: ik verlaag. Bij jij, hij, zij, het en u komt er een t achter: jij verlaagt, hij verlaagt. Staat jij of je achter het werkwoord, dan valt de t weer weg: verlaag jij? In het meervoud gebruik je het hele werkwoord: wij verlagen, zij verlagen.
Dat de stam al op een g eindigt, verandert niets aan de regel. Je plakt de t er gewoon achter, net als bij draagt, vraagt of jaagt. Een overzicht van alle regels voor de persoonsvorm vind je bij Onze Taal.
Stap 3: hoe pas je 't kofschip toe op verlaagd?
Voor het voltooid deelwoord gebruik je het ezelsbruggetje 't kofschip. Neem de stam verlaag en kijk naar de laatste letter: de g. Komt die letter voor in 't kofschip, dus is het een t, k, f, s, ch of p? Nee. Dan krijgt het voltooid deelwoord een d: verlaagd. Dezelfde regel bepaalt de verleden tijd: verlaagde en verlaagden, ook met een d. Zou de stam wél op een kofschipletter eindigen, zoals bij werken (stam werk), dan krijg je een t: gewerkt, werkte.
Controle: maak het woord langer. Zeg "verlaagde" of "een verlaagde prijs" hardop en je hoort duidelijk een d. Die verlengingstruc werkt bij alle regelmatige werkwoorden en is een snelle check als je het kofschip even kwijt bent. De officiële spelling staat altijd in de Woordenlijst Nederlandse Taal.
Stap 4: oefen met voorbeeldzinnen
Hieronder staan zinnen in beide vormen. Bedek de uitleg en bepaal eerst zelf of je verlaagt of verlaagd zou schrijven.
- De gemeente verlaagt de maximumsnelheid in de wijk. (persoonsvorm, nu, geen hulpwerkwoord)
- De maximumsnelheid is vorig jaar verlaagd. (hulpwerkwoord is, dus voltooid deelwoord)
- Verlaagt u het volume alstublieft? (persoonsvorm bij u)
- Het volume wordt automatisch verlaagd. (hulpwerkwoord wordt, dus voltooid deelwoord)
- Waarom verlaag je de verwarming niet? (je achter het werkwoord, dus geen t)
- We hebben de verwarming al verlaagd. (hulpwerkwoord hebben)
Merk op dat het hulpwerkwoord soms ver van het voltooid deelwoord staat, zoals in "de maximumsnelheid is vorig jaar verlaagd". Zoek daarom altijd de hele zin af. Meer oefenstof en uitleg vind je bij Taaladvies.net.
Stap 5: welke valkuilen moet je kennen?
De eerste valkuil is de klank. Aan het eind van een Nederlands woord klinkt een d precies als een t, dus "ik hoor een t" is nooit een argument. De tweede valkuil is het bijvoeglijk gebruik: "een verlaagd plafond" en "de verlaagde prijzen" zijn correct, omdat een voltooid deelwoord dat je als bijvoeglijk naamwoord gebruikt zijn d gewoon houdt. De derde valkuil is de verwarring met het zelfstandig naamwoord: de lager gelegen plek heet een laagte, niet een verlaagte.
Een vierde valkuil is de verleden tijd. Sommige mensen schrijven "verlaagte", naar analogie van werkte. Maar omdat de stam op een g eindigt, is het verlaagde. Twijfel je bij een ander werkwoord, pak dan opnieuw het stappenplan: zoek de stam, kijk naar de laatste letter, pas 't kofschip toe. Achtergrond over het ontstaan van deze regel lees je op Wikipedia.
Hoe onthoud je het in één zin?
Geen hulpwerkwoord en het gebeurt nu: verlaagt met een t. Wel een hulpwerkwoord (hebben, zijn, worden): verlaagd met een d, want de g zit niet in 't kofschip. Wie dit stappenplan twee of drie keer bewust doorloopt, heeft het daarna automatisch goed, en kan dezelfde methode toepassen op verhoogt en verhoogd, vertraagt en vertraagd en alle andere werkwoorden die op een g eindigen.